Stolberg
De aan beide zijden van de weg gelegen vijvers dienden voor de watervoorziening van de ertswerking van de mijn Diepenlinchen. In het kader van de verwerking van het gewonnen erts moest zowel een scheiding van erts en ongeschikte gesteenten worden bereikt, als ook een zorgvuldige scheiding van de metalen groepen lood, ijzer en zink. In Diepenlinchen werd hiervoor de zogenaamde "Natte techniek" toegepast, die zeer waterintensief was. Omdat in het begin van de mijnbouw slechts een beperkte, kwalitatieve verwerking mogelijk was, bevatte het stortmateriaal nog voldoende erts om naast de dagproductie een opnieuw verwerkingsrendabel te maken van het storten van het lichaam. Tussen 1906 en 1907 werd daarom de nieuwe verwerking opgericht en in gebruik genomen. Voor het wassen van de bergen werd gebruik gemaakt van het opgezette mijnwater, dat eigenlijk alleen tot aan de hoogte van de waterontwateringsgang (Binsfeldhammer-gang) moest worden opgepompt, om via deze gang met een lengte van 2.400 m in de Vicht te worden afgevoerd. Gemiddeld werd 9.000 l per minuut opgepompt. Ongeveer 2.000 l per minuut werd echter nog eens 90 m naar de dagoppervlakte gepompt om voor de ertswas te worden gebruikt. Omdat de verwerkingsinstallatie echter de dubbele hoeveelheid water nodig had, maar slechts 10 uur per dag in bedrijf was, werden deze twee vijvers aangelegd om buiten de bedrijfstijden de ontbrekende waterhoeveelheden te verzamelen. De ertswas kon dagelijks 257 t stortmateriaal uit de oude stortplaatsen verwerken.
Natte techniek: Bij het winnen van schelpzink stond men voor de uitdaging om de afzonderlijke ertsen (vooral zinksulfide, loodsulfide en ijzersulfide) van elkaar te scheiden, aangezien de gewonnen schelpzink uit alle drie ertsen in nauwe lagen bestond. Voor verdere verwerking in de zink- en loodsmelterijen was een zo puur mogelijk ertsproduct nodig. Hiervoor werden de ertslichamen klein gemalen en onder een waterstroom, gebruikmakend van hun verschillende specifieke gewichten, in een schuine goot met ingebouwde verdiepingen van elkaar gescheiden. Dezezelfde techniek wordt ook vandaag de dag nog gebruikt bij de goudwinning uit riviergrind.
Om de scheiding en sortering nog efficiënter te maken, werd in Diepenlinchen gewerkt met zogenaamde zandspitse-boxapparaten. Hierbij werd de troebelheid (het water-slibmengsel) in het zandspitse-boxapparaat geleid, een opstelling van meerdere achtereenvolgende piramidevormige trechters in toenemende grootte. In de eerste (kleinste) spitse box zetten de deeltjes met het hoogste specifieke gewicht zich af, in de volgende deeltjes met afnemend specifiek gewicht.
Bij bijzonder fijne zanden laat men bovendien waterleidingen tot bijna op de bodem van de boxen zakken en daar helder water inleiden, dat door zijn druk alleen de bij de sectie behorende korrels de bodem laat bereiken. Eventueel meegevoerd lichtere deeltjes worden omhoog gedreven en naar de volgende sectie gewassen, waar het geheel wordt herhaald. Het zo gewassen en gesorteerde erts kon men via afsluitbare openingen aan de bodem van de box onttrekken.
(Tekst: Jens Mieckley)
Montanhistorischer Rundweg
52224 Stolberg